Op 2 december 2025 deed de Geschillencommissie van het Kifid een uitspraak tegen een tussenpersoon (‘de adviseur’).
De Geschillencommissie vond dat de adviseur zijn zorgplicht had verzaakt, omdat hij onvoldoende had gecontroleerd of klanten zelf wel in actie waren gekomen bij het afsluiten van een overlijdensrisicoverzekering (ORV). De adviseur is tegen die uitspraak in beroep gegaan bij de Commissie van Beroep (CvB) van Kifid. Dat heeft de adviseur niet geholpen.
Voor de leesbaarheid gebruiken we afgeronde bedragen in deze samenvatting.
In 2017 koopt een echtpaar een eigen woning. Ze bezoeken een adviseur voor advies over de financiering.
Het advies is om een hypotheek met NHG aan te gaan. Daarvoor was destijds nog een ORV verplicht van minimaal €35.000. De adviseur adviseert echter een ORV van (in totaal) ruim €166.000 op het leven van meneer, zo blijkt uit een ‘voorlopig adviesrapport’.
De klanten tekenen de offerte voor de verplichte ORV. Ze gaan ook mee in het advies om een aanvullende ORV te sluiten, maar willen zelf nog rondkijken om te zien of ze die ORV tegen een lagere premie kunnen krijgen.
Vervolgens stuurt de adviseur de klant een ‘definitief adviesrapport’. Daarin is het eerdere advies om een ORV van €166.000 af te sluiten niet meer te vinden. Wel staat er dat de klant ‘afwijkt van het advies’ over de ORV.
De klant heeft dit adviesrapport niet meer gelezen, zo mailt hij de adviseur. De klant vraagt wel: “Als de inhoud niet afwijkt van het adviesrapport, dan ben ik akkoord! Of staat er iets belangrijks in dat ik echt moet lezen?” De adviseur reageert hier niet op en vraagt slechts de verplichte ORV aan, die dan ook tot stand komt.
Als de man in 2023 ongeneeslijk ziek blijkt, neemt zijn vrouw contact op met de adviseur. Ze heeft vastgesteld dat de aanvullende ORV niet is afgesloten, terwijl ze daarmee wel akkoord waren. Ze dient een klacht in bij de adviseur, maar zij komen er onderling niet uit. De man overlijdt in 2024.
Als de aanvullende annuïtair dalende ORV in 2018 zou zijn afgesloten, was het verzekerd bedrag op de overlijdensdatum nog €124.500 geweest. De weduwe claimt dit bedrag als schade vanwege het overtreden van de zorgplicht van de adviseur.
De Geschillencommissie van Kifid oordeelt dat de adviseur zijn zorgplicht als adviseur inderdaad heeft overtreden. De adviseur werpt tegen dat de klant had aangegeven zelf op zoek te gaan naar een goedkopere ORV. Maar dit argument gaat niet op. De adviseur had namelijk niet gereageerd op de vraag van de klant of er iets was veranderd in het definitieve adviesrapport. Ze gingen akkoord met het voorlopige adviesrapport en ook met dit definitieve rapport, ‘als er niets veranderd was’ ten opzichte van het voorlopige adviesrapport. Er was echter wel wat gewijzigd: de aanvullende ORV zat niet meer in de definitieve versie. De klant mocht erop vertrouwen dat de adviseur die aanvullende ORV zou afsluiten.
Een tweede tegenargument van de adviseur was dat de klant had kunnen merken dat de ORV niet was afgesloten. Kifid stelt dat van het echtpaar, dat nog nooit eerder een huis had gekocht, niet mocht worden verwacht dat ze het werk van de adviseur gingen controleren.
Toch treft de klant wel enige blaam. Ze hebben zelf immers niet rondgekeken naar een aanvullende ORV, zoals ze hadden aangegeven. En ze hadden het definitieve adviesrapport wel kunnen doornemen (al besloeg dat 50 pagina’s). Ook hadden ze inderdaad kunnen opmerken dat de ORV niet was afgesloten, of hier op zijn minst vragen over kunnen stellen.
Deze ‘eigen schuld’ komt neer op 20% van het schadebedrag. Dat betekent dat de adviseur bijna €100.000 aan de klant moet vergoeden.
De CvB van Kifid moet oordelen over de eerdere uitspraak, nadat de adviseur in beroep is gegaan. De uitspraak volgde op 6 juli 2026.
CvB handhaaft de eerdere uitspraak van de Geschillencommissie.
Uit het akkoord op het voorlopige adviesrapport (inclusief de aanvullende ORV) blijkt dat de klant die ORV wel wilde afsluiten. Uit de opmerking van de klant dat ze zelf wilden rondkijken, mocht de adviseur niet opmaken dat ze die ORV niet zouden willen. De CvB neemt het de adviseur kwalijk dat hij achteraf geen enkel contact meer met de klant heeft gehad over die ORV en nooit op de vraag van de klant gereageerd heeft of er wijzigingen zaten in het definitieve adviesrapport.
De CvB wijst nog eens op de wijzigingen in het definitieve adviesrapport. Daarin staat dat de klant het ORV-advies niet opvolgt, maar ook dat de vrouw dan bereid is haar uitgavenpatroon aan te passen of zelfs de woning te verkopen. Maar dit is nooit (aantoonbaar) besproken met het echtpaar. Er was wel iets dergelijks door de klant ingevuld op een eerdere vragenlijst. Maar die vraag ging niet expliciet over het overlijdensrisico. Bovendien had de adviseur daarna alsnog het advies gegeven om de aanvullende ORV te sluiten, waarmee de klant dus akkoord was.
De CvB laat doorschemeren dat ze de aansprakelijkheid van de adviseur nog iets zwaarder inschat dan de 80% die de Geschillencommissie vaststelde. Maar omdat de adviseur in beroep is gegaan, kan de uitspraak niet verder in zijn nadeel uitvallen dan de eerdere uitspraak.
Die blijft dus in stand: de adviseur moet zo’n €100.000 betalen.
We hebben in de nieuwsbrief van mei 2026 al geschreven over het onderwerp ‘advies over een ORV’ aan de hand van twee andere Kifid-uitspraken. Toch is deze CvB-uitspraak opnieuw relevant. De uitspraak bevestigt hoe ver de zorgplicht reikt.
We schreven in ons eerdere artikel dat het lastig kan zijn om de precieze scheidslijn te vinden tussen wat wel of niet onder jouw zorgplicht thuishoort. In zaken waarin een ORV een rol speelt, is meestal sprake van hoge bedragen. Je wilt hierin dus alle risico’s voor jezelf vermijden. Doe dat door ondubbelzinnig te zijn in jouw communicatie over je ORV-advies. En vraag achteraf bij de klant na wat hij zelf heeft gedaan, als die klant een advies over een ORV niet overneemt - of niet over lijkt te nemen.
Maar denk ook aan de pijnlijke situatie die ontstaat als het niet goed is gegaan. De impact is bijzonder groot wanneer na een overlijden blijkt dat de financiële bescherming niet aansluit bij de verwachtingen van de nabestaande.