Een opvallende oproep van de AFM op 1 mei 2026: mensen, ga meer beleggen. Er zijn veel huishoudens die wel zouden kunnen beleggen, maar dat niet doen. En daarmee laten huishoudens kansen op meer rendement liggen, luidt de kop van het bericht. Maar het is natuurlijk geen brede oproep om maar te gaan beleggen. De boodschap is genuanceerder.
De oproep komt voort uit een studie naar niet-beleggers: “Onbenut vermogen”. Het hele rapport is hier (pdf) na te lezen. Aanleiding voor de studie is de wens van de EU om meer Europees spaargeld te investeren in de Europese economie. Veel spaargeld wordt niet gebruikt voor de financiering van bedrijven, die daardoor achterblijven met innovaties. En dit spaargeld wordt onder invloed van de inflatie elk jaar minder waard. Beleggen zou dan een win-winsituatie opleveren: voor de investerende particulier een hoger rendement dan op spaargeld en voor Europese bedrijven een financiële injectie die hen (weer) concurrerend maakt.
Het onderzoek ging op zoek naar de reden waarom mensen die het zich kunnen veroorloven toch niet gaan beleggen.
De 8,2 miljoen huishoudens zijn onder te verdelen in vier categorieën, met twee variabelen. Mensen die wel of niet beleggen en mensen met voldoende of onvoldoende liquide middelen. Met dat laatste wordt bedoeld dat mensen al dan niet voldoende direct opneembaar spaargeld hebben als buffer, conform het Nibud-advies daarover. Hoeveel buffer een huishouden volgens Nibud achter de hand moet houden, is te berekenen via de Buffer Berekenaar (geüpdatet in mei 2026).
De verdeling onder alle huishoudens is dan als volgt:
| Variabelen | Onvoldoende buffer | Voldoende buffer |
| Wel beleggend | 5% (410.000) | 14% (1,2 miljoen) |
| Niet beleggend | 49% (4 miljoen) | 32% (2,6 miljoen) |
Ruim de helft van de huishoudens heeft onvoldoende buffer in relatie tot het Nibud-advies.
Als je dieper naar die cijfers kijkt, is het zorgelijk dat 23% van de middeninkomens niet eens één maandinkomen achter de hand heeft.
Voor dit grote deel van de huishoudens geldt dat beleggen voor hen niet verstandig is. De 410.000 huishoudens die dit toch doen, lopen eigenlijk teveel risico op basis van hun financiële situatie.
En slechts 14% doet het ‘precies goed’: ze hebben genoeg liquide middelen om daarnaast een deel van hun vermogen te beleggen en dit ook doen.
Van de 2,6 miljoen huishoudens die niet beleggen, maar wel meer dan voldoende buffer hebben, kan echter niet gezegd worden dat ze het ‘fout’ doen. Die groep bestaat namelijk voor een groot deel uit gepensioneerden. Voor hen is de beleggingshorizon te kort om nog te gaan beleggen.
De AFM richt zich binnen die categorie op een subgroep van mensen die:
• tussen de 35 en 67 jaar oud zijn, en
• nog niet met pensioen zijn, en
• waarvan de AFM heeft berekend dat ze mogelijk geld tekort komen in de toekomst.
Dan blijkt dat er van de 3,2 miljoen nog 800.000 huishoudens overblijven. Die hebben alle reden om te gaan beleggen, maar doen het toch niet.
De laatste afweging van de AFM is vooral interessant: de verwachting dat huishoudens een tekort zullen krijgen in de toekomst, als ze niet beleggen.
Voor die inschatting is gekeken naar het huidige inkomen en het verwachte inkomen na pensionering vanuit alleen de eerste pijler (AOW) en tweede pijler (ouderdomspensioen). Als die twee pijlers tezamen minder dan 70% van het huidige inkomen opleveren, is dit toekomstig inkomen te laag om de huidige levensstijl voort te zetten. Juist daarom zijn huishoudens van mensen jonger dan 35 jaar niet meegenomen in deze categorie. Van hen is niet goed genoeg in te schatten hoe hoog hun pensioen wordt.
Maar er zijn dus ruim 800.000 mensen die nu voldoende spaargeld hebben en niet beleggen, maar in de toekomst mogelijk een tekort hebben juist als ze niet beleggen.
De AFM heeft bij het vaststellen van de groep die zou kunnen en moeten beleggen, geen rekening gehouden met vermogensopbouw in lijfrenten of de eigen woning. Die gegevens kunnen ze namelijk minder goed inschatten. Wel blijkt uit eerder onderzoek dat de gemiddelde inleg op lijfrenten vaak relatief laag is (65% legde minder dan €1.000 per jaar in; zelfstandigen in 50% minder dan €2.500). Het is daarom niet aannemelijk dat een groot deel van de 800.000 huishoudens ineens wel voldoende pensioeninkomen heeft als rekening gehouden wordt met een lijfrente. Maar de verschillen per individu zijn groot, dus er zullen huishoudens zijn, voor wie de lijfrente wel voldoende is om samen met de 1e en 2e pijler voor voldoende pensioeninkomen te zorgen.
Van de groep waarvan de AFM vindt dat ze zouden moeten beleggen, is ook onderzocht waarom ze dat niet doen. Zij konden meerdere redenen noemen (tussen haakjes het percentage van de 800.000 mensen dat deze reden opgaf):
1) Niet genoeg kennis van beleggen (57%)
2) Beleggen heeft te veel risico’s (45%)
3) Beleggen interesseert me niet (31%)
4) Ik heb geen geld om te beleggen (16%)
5) Ik wil wel, maar weet niet hoe te beginnen (7%)
6) Anders (5%)
ING deed onderzoek over hetzelfde onderwerp. De bank kwam op 13 mei 2026 met de uitkomsten van een onderzoek over redenen om niet te beleggen. Uit dat onderzoek kwam naar voren dat twijfel, onzekerheid en angst voor koersdalingen de belangrijkste redenen zijn om niet te beleggen.
Het valt ING op dat 80% van de Nederlanders niet belegt en dat de helft dat ook nooit van plan is. Ze zijn bang dat ze te weinig kennis hebben en/of vinden beleggen een vorm van gokken. Die angst leeft vooral bij vrouwen: het percentage niet-beleggende vrouwen is 2x zo hoog als dat van niet-beleggende mannen.
Emre Schram, directeur Beleggen bij de ING, zegt “We moeten af van het idee dat beleggen eng is, want zo spannend is het niet. Door iedere maand een klein bedrag te beleggen met geld dat je kunt missen, kun je op langere termijn meer uit je geld halen en doe je stap voor stap ervaring op.”
Begin klein, is zijn motto. Probeer eerst eens elke maand € 100 automatisch te beleggen in een fonds dat past bij jouw risicoprofiel. Je doet dan vanzelf ervaring op en daarmee wordt beleggen op den duur een vanzelfsprekendheid.
Er zijn 800.000 huishoudens (bestaand uit meer dan 1 miljoen personen) die dus niet alleen zouden kunnen beleggen, maar zelfs een toekomstig financieel probleem kunnen krijgen als ze dat niet doen.
Het grootste bezwaar dat zij hebben tegen beleggen, is dat ze er onvoldoende kennis van hebben of niet weten hoe ze moeten beginnen. De AFM schat op basis van ander onderzoek in dat de benodigde kennis zwaar overschat wordt. Mensen denken bijvoorbeeld dat ze zelf onderscheid moeten maken tussen goede en slechte bedrijven, dat ze de markt voortdurend moeten volgen en regelmatig moeten handelen.
Door klanten te wijzen op goed gespreide beleggingsfondsen die zelf voortdurend hun weging aanpassen zou je dit bezwaar bij hen kunnen wegnemen.
Een vergelijkbaar argument kun je gebruiken voor de mensen die zeggen “het interesseert me niet”. Het hoeft de klant niet te interesseren; ze hoeven alleen maar een deel van hun spaargeld in te leggen en er vervolgens niet meer naar omkijken.
En mensen die zeggen dat ze het te risicovol vinden, zijn wellicht ook over te halen. Voor mensen die echt geen enkele risicobereidheid hebben misschien niet, maar voor heel defensief ingestelde mensen, zijn er ook beleggingsfondsen die passen bij die risicohouding.
Een interessant psychologisch fenomeen is dat angst een slechte raadgever kan zijn. Juist de zeer risicomijdende groep die niet wil beleggen, loopt het risico op een tekort aan inkomen of vermogen voor later. Spaargeld wordt feitelijk elk jaar minder waard, als je de inflatie en belasting op rendement meeweegt.
We lichten dat toe aan de hand van een vereenvoudigd rekenvoorbeeld.
Uitgangspunten zijn:
• Iemand heeft, boven op de benodigde buffer, € 100.000 aan liquide middelen.
• Hij heeft een horizon van 20 jaar.
• Het gemiddelde rendement is 1,5% op spaargeld en 5% op beleggingen.
• De inflatie is 2,35% (het gemiddelde van de laatste 20 jaar).
• De belasting op het werkelijke rendement is 36%. Daarbij houden we géén rekening met een vrijstelling, omdat die al verbruikt wordt met de buffer.
Wat levert beleggen dan op tegenover sparen over 20 jaar?
Het theoretische bedrag is simpelweg de inleg inclusief rendement (met rente-op-rente-effect).
Het nominale bedrag is de inleg inclusief het rendement, na box 3-afdracht.
Het reële bedrag is het meest zuiver: de inleg, inclusief rendement, maar na box 3-afslag en rekening houdend met inflatie.
| Eindsaldo na 20 jaar bij startkapitaal € 100.000 | |||
| theoretisch | nominaal | reëel | |
| Sparen 1,5% | € 134.686 | € 121.056 | € 75.582 |
| Beleggen 5% | € 265.330 | € 187.756 | € 118.445 |
In reële zin is de spaarder na 20 jaar bijna een kwart van zijn startsaldo kwijt. Hij kan na die 20 jaar, ondanks een positief nominaal rendement, minder kopen met zijn geld dan toen hij begon met sparen.
We hebben eerder al vergelijkende berekeningen gemaakt wanneer in box 1 gespaard of belegd wordt. Via een lijfrente, dus. De verschillen worden dan nog groter, omdat er geen sprake is van box 3-belasting.
Je bent SEH Erkend Financieel Adviseur en adviseert dus in brede zin. Daar hoort vermogensplanning ook bij. Beleggen in beleggingsfondsen valt ook binnen jouw Wft-beroepskwalificatie. De diverse argumenten in dit artikel helpen jouw klant wellicht om te gaan beleggen, in plaats van alleen maar te sparen. Wellicht is voor jou eerst nog belangrijker om na te gaan wat jou zelf tegenhoudt om hierover te adviseren, mocht je dat nog niet doen. Probeer eerst jouw eventuele eigen drempel weg te nemen, mocht dat nodig zijn. Bekijk bijvoorbeeld nog eens de slides van de SEH-collegetour van november 2025 over dit thema. Ook dit jaar staan er sessies over vermogensopbouw gepland. Schrijf je daarvoor in!