Waardering vordering familielening in box 3

Ouders die hun kind willen helpen op de lastig toegankelijke woningmarkt, doen dat regelmatig via een familielening. Nu de jubelton is afgeschaft, is dat vaak de enige constructie die niet direct tot hoge aanslagen schenkbelasting leidt. Voor het kind kan deze lening in box 1 vallen. Maar voor de ouders niet. Voor hen is het een vordering in box 3. We leggen uit wat een recent Kennisgroepstandpunt hierover zegt.

Schuld bij kind in box 1, met volledige renteaftrek?

In april 2021 maakte de overheid openbaar in welke gevallen een lening bij een derde partij (zoals een familielening of lening bij de BV) voor renteaftrek in aanmerking komt. Deze openbaarmaking was het gevolg van een WOB-verzoek (tegenwoordig WOO-verzoek). De Belastingdienst heeft daarop een handreiking gepubliceerd waarin staat aangegeven welke criteria zij hanteert voor het vaststellen van de aftrekbaarheid van rente over familieleningen.

Inmiddels heeft de Belastingdienst een beter leesbaar document gepubliceerd, met voorbeelden van rentepercentages op familieleningen die wel of niet acceptabel zijn.

Als een familielening bij het kind kwalificeert als eigenwoningschuld (met annuïtair aflossingsschema van maximaal 360 maanden), dan valt die dus bij het kind in box 1. Als de rente marktconform is, gezien de voorwaarden van die familielening, dan is die rente ook aftrekbaar. Het kan overigens zo zijn dat de rente hoger is dan wat de Belastingdienst accepteert. Dat heeft automatisch gevolgen voor de kwalificatie van de eigenwoningschuld. Hoe hoger de rente, des te lager is de aflossingscomponent in de annuïteit. Daardoor kan de aflossing in die lening te laag zijn om als eigenwoningschuld te kwalificeren. Daarop gaan we hier echter niet in. We gaan uit van de situatie dat de familielening geheel als eigenwoningschuld kwalificeert voor het kind en de rente bij dat kind ook helemaal aftrekbaar is.

Vordering ouders in box 3 (tot 2028)

Nu komen we tot de kern van dit artikel. Voor de ouders valt de lening als vordering in box 3. Dit is een ‘overige bezitting’. In 2026 is het forfaitair rendement op overige bezittingen 6,0%. De vraag is nu: wat is de waarde van die vordering? Via een Kennisgroepstandpunt van 22 mei 2026 geeft de Belastingdienst hierop antwoord.

Kort gezegd: er zijn twee opties.
1) de zuivere, maar moeilijke manier, of
2) de praktische, makkelijke manier.

 1) Waardering vordering volgens waarde economisch verkeer (WEV-methode)
Je weet het wellicht nog toen je je examen Wft Vermogen deed: de waarde van een obligatie beweegt omgekeerd met de marktrente.
Als je 2% rente op een obligatie krijgt en dat is ook de marktrente, dan heeft die obligatie een waarde die 100% is van de schuld die uitstaat. Als de marktrente stijgt, wordt de obligatie minder waard. Je had dan namelijk meer rendement op je geld kunnen krijgen dan je aan coupon op de obligatie krijgt. Andersom stijgt de waarde van de obligatie als de marktrente daalt.

Hetzelfde geldt voor de waardering van een vordering, zoals bij een familielening. Feitelijk moet je elk jaar vaststellen wat de waarde in het economische verkeer is van de vordering die de ouder op het kind heeft.

De Belastingdienst geeft voor de berekening daarvan de volgende formule:

Hierbij staan de letters voor:

WEV = waarde in het economische verkeer van de vordering
H = de hoogte van de vordering (nominaal) op 1 januari
Kh = contractrente
Kvv = de op dat moment geldende marktrente
t = de resterende looptijd van de vordering

Voorbeeld

Joke is de moeder van Pim. Joke heeft Pim in 2022 €110.000 geleend (30 jaar, annuïtair), zodat Pim een woning kon kopen. Er is een rente afgesproken van 2,5%. Dat was toen een marktconforme rente. Bij een bank had Pim het geld kunnen lenen tegen 2% rente. Maar omdat Joke geen hypothecaire zekerheid heeft en Pim daarnaast een bankhypotheek heeft, is het redelijk dat zij een hogere rente rekende. De Belastingdienst keurde een rente van 2,5% goed. Voor Pim is de rente aftrekbaar.

Op 1 januari 2026 is de schuld van Pim aan Joke nog precies €100.000. De resterende looptijd is nog 26 jaar.

Hoe moet Joke de waarde van die schuld waarderen in box 3? De huidige marktrente is 4,5% voor vergelijkbare schulden.

 

 

Door de gestegen marktrente, is de vordering dus nog maar €69.707 waard. Joke kan in haar aangifte Inkomstenbelasting dit bedrag als waarde opgeven. Daarover is zij dan volgens de forfaitaire box 3-heffing 36% x 6,0% verschuldigd, ofwel €1.505 over het jaar 2026.

 Maar hoe zit dat met de tegenbewijsregeling? Stel nu dat de marktrente verder stijgt. Die is op 1 januari 2027 5%. De waarde in het economisch verkeer op 1 januari 2027 is dan €63.470 (uitgaand van een schuld van €98.000 en resterende looptijd 25 jaar). Dan heeft ze als werkelijk rendement over 2026 dus een ‘verlies’ geleden van €4.237 (de lagere waardering verminderd met €2.000 aan aflossingen). Daarnaast heeft ze €2.389 aan rente ontvangen. Ze zou dan over 2026 een verlies hebben gemaakt van €1.848. Ze hoeft dan (afhankelijk van overig vermogen) helemaal geen vermogensrendementsheffing te betalen.

 Maar nog een jaar later, is de marktrente gedaald naar 3%. Dan wordt haar vordering ineens €87.871 waard. Ze heeft dan een ‘winst’ behaald van €26.401 + €2.226 aan rente = €28.627. Dat rendement wordt dan tegen 36% belast = €10.306.

2) Waardering volgens de makkelijke, praktische manier (nominale methode)

We kunnen ons voorstellen dat de formule hierboven je enigszins afschrikt. Dat zal ook gelden voor de meeste mensen die geld uitgeleend hebben. Het zal dan ook niet vaak gebeuren dat je mensen tegenkomt die de WEV-methode hanteren.

Gelukkig is er nog een andere manier: de Belastingdienst maakt in een noot in het KG-standpunt de volgende opmerking: 
Uit praktische overwegingen en gelet op deze uitvoeringspraktijk mag een belastingplichtige bij het bepalen van de waarde in het economische verkeer van een geldvordering of -schuld uitgaan van de nominale waarde.

Dat betekent dat Joke, uit het rekenvoorbeeld hierboven, ook gewoon €100.000 mag opgeven als vordering op 1 januari 2026.

Daar zitten wel twee kanttekeningen aan:

·        Ze moet deze methode consequent toepassen. Ze mag bijvoorbeeld niet kiezen om bij een stijgende marktrente de WEV-methode te gebruiken (waardoor ze een papieren verlies heeft) en bij een dalende marktrente ineens de nominale methode.

·        Ze moet de gekozen methode ook toepassen op consequente wijze in haar keuze of ze belast wil worden op basis van de Overbruggingswet box 3 (tegen 6% forfaitair rendement) of op basis van de Tegenbewijsregeling box 3 (het werkelijke rendement).

Hoe werkt dit dan als de Wet werkelijk rendement box 3 is ingegaan (vanaf 2028)?

Als de Wet werkelijk rendement box 3 (WWR) volgens de huidige planning in 2028 in werking treedt, gaat bovenstaande berekeningswijze niet meer op. Dan is het relatief eenvoudig: het werkelijke rendement op de vordering (dus de 2,5% rente die Joke krijgt op de vordering) is dan haar rendement. Daar telt ze haar overige rendement op vermogen bij op. Vervolgens gaat de inkomensdrempel van €1.800 vanaf. Daarover betaalt ze dan 36% box 3-belasting.

Overigens heeft de Staatssecretaris van Financiën op 19 juni 2026 diverse opties gegeven waarin nog gesleuteld kan worden aan die WWR box 3. Zoals een hogere vrijstelling (€1.900), een lagere belasting (35%), een verliesverrekening van één jaar terug, of andere kleine aanpassingen. De WWR box 3 zoals die is goedgekeurd, kan dus alsnog op details aangepast worden voordat die in werking treedt. Op Prinsjesdag 2026 horen we hier meer over.

Voor jouw praktijk

Het (mede) adviseren over familieleningen behoort tot jouw takenpakket. Je hebt daarin niet alleen een zorgplicht tegenover de geldnemer (het kind), maar ook richting de geldgevers (ouders). 
Je moet nagaan of de ouders zich de lening wel kunnen veroorloven. Maar ook de gevolgen bespreken voor die ouders, als ze een vordering in box 3 hebben. Dat gaat niet zo ver dat je moet adviseren hoe die ouders de vordering op hun kind in box 3 moeten opgeven tijdens de belastingaangifte. Dus de formule volgens de WEV-methode zul je niet snel hoeven betrekken in jouw advies.

Toch is het belangrijk om te weten dat er twee methodes zijn: de WEV-methode of de nominale methode. En dat die keuze consequenties heeft. Mocht de klant hierover vragen stellen, dan kun je aangeven dat er twee methoden zijn. En ze voor advies doorverwijzen naar een belastingadviseur of fiscalist.