Jaarlijks worden ook diverse cijfers, percentages en regels met betrekking tot de sociale zekerheid aangepast. Wij benoemen hier de belangrijkste aanpassingen in 2026, waarbij het begrip ‘sociale zekerheid’ ruim uitgelegd wordt.
Sinds 2024 geldt een minimumuurloon in plaats van een minimum maandloon. Dat betekent dat het minimumloon niet meer (mede) afhankelijk is van cao-afspraken over wat een voltijds dienstverband is.
Vanaf 1 januari 2026 is het minimumuurloon € 14,71 voor iedereen die 21 jaar of ouder is. Voor leeftijden onder de 21 jaar zijn de minimumuurlonen lager.
De meeste uitkeringen, zoals de AOW, bedragen uit de Participatiewet (bijstand, Wajong, IOAW, etc), zijn meegestegen met het minimumuurloon. Deze uitkeringen zijn hier immers aan gekoppeld.
Het maximum dagloon bedraagt per 1 januari 2026 € 304,25 (1 januari 2025: € 290,67). Dat is op jaarbasis € 79.409,25 (2025: € 75.864).
De maxima voor een WW-uitkering stijgen daardoor tot € 4.963 (75%) voor de eerste twee maanden en daarna € 4.632 per maand (70%). Deze bedragen zijn afgerond en inclusief vakantiegeld.
Ook de maxima van de IVA en WGA zijn hierdoor veranderd.
De maximale vergoeding bij ontslag is in 2026 € 102.000 (2025: € 98.000) of een jaarsalaris.
Eerste en tweede pijler
De AOW-leeftijd blijft in 2026 67 jaar.
De komende jaren 2026 en 2027 blijft de AOW-leeftijd gelijk.
In 2028 wordt de AOW-leeftijd 67 jaar en 3 maanden en dat blijft zo tot en met 2031.
De pensioenrichtleeftijd blijft in 2026 onveranderd op 68 jaar. Dat betekent dat de maximale opbouwpercentages van ouderdomspensioen in de tweede pijler ongewijzigd blijven. Wel zijn ook hier de AOW-franchises geïndexeerd.
Het maximale pensioeninkomen is in 2026 € 137.800. Dit is hetzelfde bedrag als in 2025. Omdat de AOW-franchise wel stijgt, zal iedereen met een inkomen boven de aftoppingsgrens een steeds lagere maximale pensioenopbouw (en jaarruimte in de derde pijler) krijgen.
Het bevriezen van de aftoppingsgrens scheelt de overheid een beetje geld, wat gebruikt wordt voor uitbreiding van de werkkostenregeling (onbelaste vergoeding van werkgever aan werknemers).
De maximale afkoopsom van pensioenaanspraken zonder revisierente is in 2026 € 632,63.
Bedrag Ineens vanaf 1 juli 2026?
Het is nog steeds onduidelijk wanneer het Bedrag Ineens in werking treedt. Vooralsnog zou deze mogelijkheid moeten bestaan vanaf 1 juli 2026. Vanaf dat moment kunnen pensioengerechtigden eenmalig maximaal 10% van hun ouderdomspensioen of lijfrente opnemen.
Derde pijler – lijfrenten
Sinds de invoering van de Wtp op 1 juli 2023 is de jaarruimte met terugwerkende kracht maximaal 30% van de premiegrondslag.
Dat percentage geldt ook in 2026.
De jaarruimteformule blijft in 2026 gelijk, behalve de AOW-franchise: 30% x (gemaximeerd inkomen -/- € 19.172) -/- 6,27 x A
De AOW-franchise is sinds 2024 gelijk aan de AOW-franchise voor middelloon- en beschikbare premieregelingen in de tweede pijler.
Als een werknemer deelneemt aan een pensioenregeling waarvan de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel is voltooid, dan geldt de werkelijke pensioenpremie in plaats van de som 6,27 x A. Veel pensioenuitvoerders zijn op 1 januari 2026 overgegaan op een Wtp-regeling. Voor de jaarruimte maakt dat nog niet uit, omdat met de pensioenaangroei van het voorgaande jaar wordt gerekend (overigens niet de inhaalpremies, maar alleen de reguliere pensioenpremies).
Daarnaast zijn ook de overige lijfrentebedragen geïndexeerd:
In de Fiscale Verzamelwet 2026 zitten allerlei kleine aanpassingen in lijfrentes verwerkt.
We sommen die hier puntsgewijs op, met zo nodig nadere uitleg.
Opmerking: de onderdelen b) en c) lijken tegenstrijdig. De eerste uitkering moet plaatsvinden in het 5e jaar na de AOW-leeftijd, maar de beslistermijn is een jaar langer. Het is echter in theorie mogelijk om in dat 5e jaar na AOW een eerste uitkering te laten doen, om pas later formeel de precieze uitkeringsduur vast te stellen. Het zal trouwens in de praktijk niet vaak voorkomen dat deze twee termijnen beide spelen.