Sinds 2012 is het huwelijksvermogensrecht veranderd. Dat heeft ook gevolgen gehad voor de wijze waarop vergoedingsrechten vastgesteld worden. De gevolgen van die vergoedingsrechten kunnen niet alleen groot zijn, maar ook onredelijk uitwerken. Dat wil zeggen: onredelijk in de ogen van een benadeelde partij.
In een recente uitspraak van Gerechtshof Den Haag, vindt het Hof de uitkomst van een vergoedingsrecht dusdanig onredelijk, dat het de wet anders toepast dan die destijds is uitgelegd.
Een man en vrouw zijn in algehele gemeenschap van goederen gehuwd in 2008.
In 2023 dient de man een verzoek tot echtscheiding in. De echtscheiding wordt in april 2025 ingeschreven. Er zijn diverse geschilpunten tussen de man en vrouw over de verdeling van de huwelijksgemeenschap en alimentatieverplichtingen.
Wij beperken ons tot het geschil over de verdeling van de overwaarde op de woning. We ronden bedragen die in de rechtszaak genoemd zijn af.
De woning is destijds door het echtpaar aangekocht voor € 488.000. De man heeft op de hypotheekschuld afgelost en ook een groot deel van de verbouwing betaald.
Het punt is, dat die aflossingen zijn gedaan door schenkingen van de ouders aan de man. En die schenkingen vielen onder een uitsluitingsclausule. Daardoor vielen deze schenkingen niet in de gemeenschap.
Daar komt bij, dat ze na 2012 scheiden, waardoor de beleggingsleer van toepassing is.
De woning is nu € 1.320.000 waard. Dat is bijna 3x zoveel als op het moment van aankoop van de woning.
De aflossingen die de man heeft gedaan met geld dat geschonken is onder de uitsluitingsclausule, zou volgens de letterlijke wetsuitleg (art. 1:87, lid 2 onder a) als vergoedingsrecht ook bijna drie keer zo hoog zijn geworden.
Volgens de uitleg van die wettekst geldt dat bij aflossingen op de gemeenschappelijke schuld een vergoedingsrecht ontstaat waarbij de waarde van de woning bij aankoop leidend is. Het doet er dus niet toe hoeveel de woning waard was op het moment van de aflossing zelf.
De man stelt dat hij daardoor een vergoedingsrecht heeft van in totaal bijna € 819.000.
De vrouw is het hier niet mee eens en stapt naar de rechter, waarop de man in hoger beroep gaat.
Oordeel Gerechtshof Den Haag, 4 februari 2026
Met betrekking tot de vergoedingsrechten, moet het Hof eerst vaststellen in hoeverre de aflossingen op de hypotheekschuld gedaan zijn vanuit schenkingen onder de uitsluitingsclausule.
Er is namelijk ook ruzie over die bedragen. Het Hof acht een totale aflossing van de man van € 171.500 bewezen.
Dit zou op basis van art. 1:87, lid 2 onder a moeten leiden tot een vergoedingsrecht van:
€ 171.000/€ 488.000 x € 1.320.000 = ± € 462.500.
Maar het Hof beslist anders. Hoewel volgens de uitleg van de wet (toen deze werd ingevoerd) eigenlijk bovenstaande hoofdregel zou moeten gelden, is dat volgens het Hof niet precies wat er in de wet staat.
In art. 1:87, lid 2 onder b staat namelijk dat bij een aflossing juist de waarde op het moment van die aflossing moet worden gehanteerd. Bij de invoering van de wetgeving, is dit in de parlementaire geschiedenis simpelweg verkeerd uitgelegd, aldus het Hof.
Bedoeld is dus dat het vergoedingsrecht berekend moet worden op grond van 1:87, lid 2 onder b.
Ofwel: het vergoedingsrecht moet berekend worden naar de waarde op het moment van die aflossing.
De waarde van de woning was toen € 960.500.
Dat maakt dat het vergoedingsrecht wordt vastgesteld op € 171.000/€ 960.500 x € 1.320.000 = ruim € 235.000.
De rest van de overwaarde moet 50%-50% verdeeld worden onder de ex-echtgenoten.
De regels over vergoedingsrechten zijn al erg ingewikkeld. Dat komt niet alleen door de wettekst zelf, maar ook door de (enigszins tegenstrijdige) wetsuitleg van de wetgever op het moment dat die wettekst werd ingevoerd. Het Hof haalt nu een streep door die wetsuitleg en volgt de wettekst uit een ander lid (zoals volgens het Hof ook de bedoeling was van de wet). Het Hof geeft ook het argument dat een andere wetsuitleg ook onredelijk is. Iemand die de wet goed kent, zou hier makkelijk misbruik van kunnen maken. In het zicht van een scheiding, zou iemand bijvoorbeeld de hele hypotheekschuld snel kunnen aflossen. Dan bedraagt het vergoedingsrecht dus de hele waarde van de woning. Dat werkt dus zo onredelijk uit, dat te verwachten is dat meerdere rechters deze Hof-uitspraak zullen volgen.
Voor jou als adviseur is het leermoment dat je niet te stellig moet zijn in het vaststellen van dat vergoedingsrecht. Laat dat aan de advocaten van het echtpaar over die gaan scheiden.