De uitzendregeling in de Wet IB (art. 3.111, leden 6 en 7) houdt in dat iemand met een eigen woning die tijdelijk naar het buitenland wordt uitgezonden, deze woning als ‘eigen woning’ in box 1 mag aanhouden. Een voorwaarde is dat de woning niet ter beschikking wordt gesteld aan derden, bijvoorbeeld door verhuur. Sinds 2026 is deze uitzendregeling (ook wel: expatregeling) uitgebreid. In art. 3.111, lid 7 staat sindsdien welke personen niet als derden worden aangemerkt. Recent speelde de uitzendregeling een rol in een rechtszaak van een uitgezonden eigenwoningbezitter.
Een man met een eigen woning wordt in 2019 uitgezonden naar het buitenland. Die uitzending duurt tot oktober 2023. Tussen september 2020 en augustus 2022 verhuurt hij de woning. Daardoor valt de woning in die periode in box 3.
In zijn aangifte inkomstenbelasting over 2022 geeft de man de woning vanaf augustus weer op als eigen woning in box 1. Hij trekt vanaf dat moment ook de hypotheekrente weer af. De woning is vanaf dat moment immers niet meer verhuurd. De belastinginspecteur accepteert dit niet. De man stapt vervolgens naar de rechter.
De rechter geeft de belastinginspecteur op 17 september 2026 gelijk. De uitzendregeling herleeft niet na het beëindigen van de verhuur. In art. 3.111, lid 6 staat dat de uitzendregeling geldt als de woning bij uitzending sindsdien niet ter beschikking heeft gestaan aan derden. Het woord ‘sindsdien’ betekent dat als de woning eenmaal verhuurd is geweest, de uitzendregeling nooit meer herleeft.
De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van de Hoge Raad in 2015. Die oordeelde al dat de uitzendregeling niet herleeft.
Wij vinden het niet zo vreemd dat de man dacht dat de uitzendregeling zou kunnen herleven. Voor de verhuisregeling geldt namelijk wel dat die herleeft na een periode van verhuur. Een leegstaande woning die te koop staat, kan gedurende 3 jaar plus het lopende kalenderjaar in box 1 blijven. Als je die woning tijdelijk verhuurt, gaat deze naar box 3. Maar als de huurder binnen 3 jaar + lopend kalenderjaar vertrekt en de woning staat weer leeg en te koop, dan herleeft die verhuisregeling wel weer. Dat staat expliciet vermeld in art. 3.111, lid 2 Wet IB.
De rechterlijke uitspraak is geen nieuwe wetsinterpretatie. Maar wel een bevestiging van de ietwat inconsequente en complexe fiscale wetgeving. Houd er juist in dit soort bijzondere gevallen rekening mee dat de wetgeving niet altijd ‘logisch’ is. Weet je het niet zeker wanneer een klant vraagt naar de fiscale consequenties in een dergelijke situatie? Zoek die gevolgen dan op.