In september 2026 zijn enkele nieuwe kennisgroepstandpunten over lijfrenten gepubliceerd. Ook zijn er vragen gesteld aan de staatssecretaris van Financiën over het vervallen van bepaalde goedkeuringen uit het Verzamelbesluit Lijfrenten. Daarop heeft de staatssecretaris nu antwoord gegeven.
Sinds 2026 zijn de regels voor lijfrenten op verschillende punten gewijzigd. Als een lijfrente expireert, heeft de verzekeringnemer of rekeninghouder tot 31 december van de AOW-leeftijd + 6 jaar de tijd om met het kapitaal een lijfrente aan te kopen die uitkeert. Maar in 2025 gold nog de regel dat een geëxpireerde lijfrente uiterlijk op 31 december van het jaar na expiratie moest gaan uitkeren.
En die regel geldt nog steeds. De wetgeving sinds 2026 kent geen terugwerkende kracht. Dat betekent dat een lijfrente die in 2025 is geëxpireerd, uiterlijk op 31 december van 2026 tot uitkering moet komen. Een andere optie is om de geëxpireerde lijfrente om te zetten naar een uitgestelde lijfrente. Maar ook dat moet dan uiterlijk op 31 december 2026 gebeurd zijn.
Voor jouw praktijk
Als je klanten hebt van wie de lijfrente vorig jaar geëxpireerd is, is het van belang om die klanten nu te activeren. Hij heeft nog maar iets meer dan 2 maanden de tijd (gerekend vanaf half oktober 2026) om een keuze in die lijfrente te maken. Anders zal de lijfrente geacht worden te zijn afgekocht. Het hele kapitaal wordt dan in één keer belast en er wordt (maximaal) 20% revisierente in rekening gebracht. Het restant valt dan in box 3 vanaf 1 januari 2027.
In de huidige wetgeving is het fiscaal niet toegestaan om een ander dan de verzekeringnemer of rekeninghouder van een lijfrente als begunstigde aan te wijzen voor de uitkeringen. Dat was echter vóór het regime van de Brede Herwaardering (pre Brede Herwaardering, PBH) nog wel toegestaan. Er is sprake van het PBH-regime wanneer de lijfrente tegen premie is afgesloten voor 16 oktober 1990 of als koopsom voor 1 januari 1992.
De kennisgroep heeft verduidelijkt hoe een PBH-lijfrente wordt belast als een grootouder een minderjarig kleinkind als begunstigde heeft aangewezen. De termijnen die aan het kleinkind toekomen, worden in box 1 belast bij de meestverdienende ouder. Om te bepalen wiens inkomen het hoogst is, moet je kijken naar het box 1-inkomen exclusief de inkomsten eigen woning of inkomsten uit ter beschikking gestelde bezittingen. Over de uitkeringen moet bovendien loonbelasting worden ingehouden (die verrekend wordt met de verschuldigde inkomstenbelasting).
Voor jouw praktijk
Dit KG-standpunt is vrij detaillistisch. Toch moet je niet onderschatten hoeveel PBH-lijfrenten er nog lopen. In de jaren ’80 van de vorige eeuw zijn er veel afgesloten vanwege de ruime fiscale mogelijkheden en voordelen. Vaak met heel lange looptijden. Er zijn dus PBH-lijfrenten die nog moeten expireren. Zorg daarom dat je het overgangsrecht voor deze verzekeringen weer scherp hebt. Of in elk geval herkent dat voor een dergelijke lijfrente een ander regime geldt, waarna je de regels nog eens opzoekt.
Op 31 maart 2026 besloot de staatssecretaris van Financiën enkele goedkeuringen uit het Verzamelbesluit lijfrenten in te trekken.
Het gaat met name om goedkeuringen 2.4 en 2.5 uit het besluit, zoals die luidden tot de intrekking.
· Goedkeuring 2.4 zag op de situatie dat iemand per ongeluk geld naar een lijfrenterekening overmaakte. Bijvoorbeeld omdat diegene meerdere rekeningen bij dezelfde bank heeft en abusievelijk de lijfrenterekening koos in plaats van bijvoorbeeld een gewone spaarrekening.
De goedkeuring bestond eruit dat iemand binnen 3 maanden die foute overboeking mocht terugdraaien zonder nadelige fiscale gevolgen.
· Goedkeuring 2.5 zag op de situatie dat iemand per ongeluk meer geld op zijn of haar lijfrenterekening stortte dan hun jaarruimte en reserveringsruimte. Alleen het deel van de storting dat hoger is dan de jaar- en reserveringsruimte mocht teruggestort worden. Ook weer zonder fiscale consequenties.
Maar beide goedkeuringen zijn vervallen op de dag na publicatie in de Staatscourant (1 april 2026). Over het vervallen van de goedkeuringen zijn in september 2026 Kamervragen gesteld. De staatssecretaris antwoordt daarop dat de goedkeuringen iets te vaak gebruikt werden voor situaties waarvoor die niet bedoeld waren. Mensen die gewoon spijt hadden van hun storting probeerden die achteraf terug te draaien op basis van het goedkeurend besluit.
Ook lokte goedkeuring 2.4 uit om die te gebruiken tegen het eind van het kalenderjaar. Mensen stortten eind december een groot bedrag en vroegen dat begin januari weer terug. Daarmee hoopten ze box 3-heffing te ontlopen. Dat laatste zou overigens niet mogen werken, want de box 3-belasting hoort dan ook met terugwerkende kracht aangepast te worden. De staatssecretaris zag daarom geen reden meer om die goedkeuringen in stand te houden. Bovendien is de noodzaak er nauwelijks meer. Veel aanbieders van een lijfrentespaarrekening of -beleggingsrecht hebben het moeilijker gemaakt om geld over te boeken naar die rekeningen zonder check of de klant dit ook echt bedoelt te doen.
Het treft ook niet heel veel personen. In heel 2025 zijn er slechts 582 verzoeken binnengekomen met toepassing van goedkeuringen 2.4 en 2.5, op een totaal aantal van bijna 658.000 lijfrentestortingen (0,088%).
Tot slot is goedkeuring 2.5 voor veel mensen niet meer toe te passen, nu de jaar- en reserveringsruimte is verhoogd sinds de invoering van de Wtp (2023). Desgevraagd geeft de staatssecretaris aan dat hij goedkeuring 2.5 in elk geval niet meer wil laten terugkomen. Wel is hij ‘bereid te verkennen’ of het terugdraaien van abusievelijke overboekingen weer goedgekeurd moet worden. Maar dat wordt dan, als die er komt, in een iets anders vormgegeven goedkeuring.
Voor jouw praktijk
Het is voor jouw praktijk uiteraard van belang te weten dat deze goedkeuringen zijn vervallen. Mogelijk heb je klanten die er al eens gebruik van gemaakt hebben en niet weten dat deze terugstortingen sinds 1 april 2026 niet meer mogelijk zijn. Dan is het van belang dat jij weet waarom dat niet meer mogelijk is.
Op 29 september 2026 is een motie aangenomen die inhoudt dat de Kennisgroepen niet onnodig beperkend mogen werken. Daarmee wordt bedoeld dat een belastinginspecteur zelf een beslissing moet kunnen nemen over een specifieke zaak om tot een redelijke oplossing te komen. Kennisgroepstandpunten zijn geen wetgeving of formeel beleid en moeten ook niet als zodanig worden geïnterpreteerd door inspecteurs.