Je krijgt in Q1 als SEH Erkend Financieel Adviseur ook dit jaar weer de SEH-Adviespocket. Daarin staan alle relevante cijfers en regels van het nieuwe jaar. We geven je hier alvast een beknopt overzicht van de belangrijkste definitieve fiscale wijzigingen in 2026.
Na goedkeuring door de Eerste Kamer, is op 23 december 2025 het Belastingplan 2026 in het Staatsblad gepubliceerd.
Voor belastingplichtigen die de AOW-leeftijd nog niet hebben bereikt, gelden de volgende tarieven en schijfgrenzen in box 1.
| Jonger dan AOW-leeftijd | ||||
| Belastbaar inkomen meer dan | doch niet meer dan | totaal tarief | heffing over totaal van de schijven | |
| Eerste schijf | - | € 38.883 | 35,75% | € 13.900 |
| Tweede schijf | € 38.883 | € 78.426 | 37,56% | € 28.752 |
| € 78.426 | - | 49,50% | - | |
Voor belastingplichtigen die de AOW-leeftijd wel hebben bereikt, gelden ook drie tariefschijven. De exacte schijfgrenzen zijn afhankelijk van het geboortejaar.
| AOW-leeftijd en ouder - geboren vanaf 1 januari 1946 | ||||
| Belastbaar inkomen meer dan | doch niet meer dan | totaal tarief | heffing over totaal van de schijven | |
| Eerste schijf | - | € 38.883 | 17,85% | € 6.940 |
| Tweede schijf | € 38.883 | € 78.426 | 37,56% | € 21.792 |
| Derde schijf | € 78.426 | - | 49,50% | - |
| AOW-leeftijd en ouder - geboren voor 1 januari 1946 | ||||
| Belastbaar inkomen meer dan | doch niet meer dan | totaal tarief | heffing over totaal van de schijven | |
| Eerste schijf | - | € 41.123 | 17,85% | € 7.340 |
| Tweede schijf | € 41.123 | € 78.426 | 37,56% | € 21.351 |
| Derde schijf | € 78.426 | - | 49,50% | - |
Een deel van de te betalen belasting bestaat uit premies volksverzekeringen. Het tarief voor deze premies volksverzekeringen is in totaal 27,65% (gelijk aan 2025). De premies volksverzekeringen bestaan uit premies voor de AOW (17,9%), Anw (0,1%) en AWBZ/Wlz (9,65%).
Het eigenwoningforfait (ewf) blijft voor de meeste woningen 0,35%.
De ewf-tabel 2026 ziet er als volgt uit:
| meer dan | maar niet meer dan | op jaarbasis |
| – | € 12.500 | nihil |
| € 12.500 | € 25.000 | 0,10% van deze waarde |
| € 25.000 | € 50.000 | 0,20% van deze waarde |
| € 50.000 | € 75.000 | 0,25% van deze waarde |
| € 75.000 | € 1.350.000 | 0,35% van deze waarde |
| € 1.350.000 | € 4.725 vermeerderd met 2,35% van de eigenwoningwaarde voor zover > € 1.350.000 |
In art. 3.123a Wet IB is de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld geregeld, beter bekend onder de term ‘Hillen-aftrek’. Als de ewf-bijtelling hoger is dan de aftrekbare kosten eigen woning (hypotheekrenteaftrek), wordt de per saldo bijtelling verlaagd met het percentage in art. 3.123a.
Deze Hillen-aftrek zou worden afgebouwd van 2020 tot en met 2048 met 31/3% per jaar. Dat afbouwpercentage is geregeld in art. 10.6bis Wet IB.
Die aftrek wordt nu versneld afgebouwd: met 4,8% per jaar. Daardoor is de Hillen-aftrek niet in 2048, maar al in 2041 geheel afgebouwd.
In 2025 was de Hillen-aftrek nog 762/3%. Zonder wetswijziging zou dat 731/3% zijn geworden in 2026. Maar dat is dus 71,867% geworden.
| Voorbeeld Xander heeft een geheel schuldenvrije woning met een waarde van € 500.000. De ewf-bijtelling is dus 0,35% x € 500.000 = € 1.750. Xanders inkomen in box 1 is € 60.000, waarmee dit in 2026 in het tarief van 37,56% (2e schijf) valt. In 2025 was dat tarief nog 37,48%. Netto kosten ewf-bijtelling 2025 In 2025 was de bijtelling na Hillen-aftrek nog (100% -/- 762/3%) x € 1.750 = € 408. Netto kostte dat Xander € 153. Netto kosten ewf-bijtelling 2026 In 2026 wordt de bijtelling na Hillen-aftrek (100% -/- 71,867%) x € 1.750 = € 495. Netto kost hem dat dan € 186 (rekenkundig afgerond). Zonder de wetswijziging, was dit bedrag € 175 geweest. Door de versnelde afbouw Hillen-aftrek gaat Xander dus € 11 extra belasting betalen. In dit voorbeeld is nog geen rekening gehouden met een gestegen woningwaarde. Voor een overzicht van alle gevolgen van de versnelde afbouw Hillen-aftrek, zijn diverse voorbeelden te lezen in de Nota naar aanleiding van het Verslag BP2026, onderdeel 9 (vanaf pagina 11). |
De reden voor de versnelde afbouw Wet Hillen is dat de Tweede Kamer in meerderheid financiële ruimte zocht om de vrijstelling in box 3 iets te verhogen en het fictieve rendement op overige bezittingen iets te verlagen. Het fictieve rendement zou 7,78% zijn geworden, maar door de versnelde afbouw van de Hillen-aftrek, wordt dit beperkt tot 6,00% (zie verderop).
In de Fiscale Verzamelwet 2026 wordt de uitzendregeling gecodificeerd. Dat wil zeggen dat een eerder besluit over de uitzendregeling omgezet wordt in wetgeving. Dit betekent dat art. 3.111 (de fiscale definitie ‘eigen woning’) wordt uitgebreid.
In art. 3.111, lid 6, is geregeld dat een eigen woning in box 1 blijft als de eigenaar tijdelijk elders verblijft. Bijvoorbeeld vanwege tijdelijke uitzending voor werk in het buitenland. De woning blijft dan in box 1, maar alleen als die woning niet ‘aan derden ter beschikking wordt gesteld’
In eerdere besluiten, was deze regeling al verruimd. Als een kind van de eigenaar bijvoorbeeld in de woning achterbleef, werd dat niet gezien als ‘aan derden ter beschikking gesteld’. Zo waren er nog meer uitzonderingen op deze hoofdregel.
Vanaf 1 januari 2026 is er een extra lid (lid 7) ingevoegd in artikel 3.111. Die houdt ook direct een verruiming in van de eerdere besluiten.
De woning wordt niet als ‘ter beschikking staand aan een derde’ beschouwd, als:
Sinds 2024 geldt een tweeschijvenstelsel in box 2 (inkomen uit aanmerkelijk belang).
In 2026 geldt voor een belastbaar inkomen tot € 68.843 in box 2 een tarief van 24,5%. Voor het meerdere geldt een tarief van 31%.
De afbouw van fiscale regelingen voor ondernemers wordt voortgezet.
Tot de Wet Werkelijk Rendement box 3 wordt ingevoerd, moeten we het doen met de Overbruggingswet box 3 in combinatie met de Wet Tegenbewijsregeling box 3.
Het is nog spannend of de Wet Werkelijk Rendement in 2028 gehaald wordt, want het wetsvoorstel daartoe moet dan op 15 maart 2026 definitief zijn aangenomen.
Op 1 januari 2026 zijn de fictieve belaste rendementen over schulden en spaargeld over het jaar 2025 nog niet bekend.
Voor de voorlopige aanslagen over 2025 en 2026 wordt wel al uitgegaan van verwachte fictieve rendementen:
| Categorie | Fictief rendement 2025 | Fictief rendement 2026 |
| Spaargeld (verwacht) | 1,44% | 1,28% |
| Overige bezittingen (zeker) | 5,88% | 6,00% |
| Schulden (verwacht) | 2,62% | 2,70% |
Het tarief in box 3 blijft ongewijzigd op 36%.
Via de tegenbewijsregeling kan de belastingplichtige vanaf 2026 in de Belastingaangifte aantonen dat zijn werkelijke rendement lager is dan het fictieve belastbare rendement.
Vrijstellingen en schuldendrempel box 3 (bedragen per belastingplichtige)
Puntsgewijs noemen we nog enkele wijzigingen die voor jouw praktijk relevant kunnen zijn. De lijst is niet limitatief. Alle relevante cijfers vindt je binnenkort in de Adviespocket.
In de Overdrachtsbelasting komt er weer een tarief bij. Voor de aankoop van een woning wordt het tarief 8%. Dit tarief geldt alleen als de woning niet voor eigen gebruik is. Dan zou immers de startersvrijstelling of het lage tarief van 2% gelden.
In 2025 gold voor niet eigen woningen nog het tarief van 10,4%. Dat tarief blijft bestaan, maar geldt in 2026 alleen voor onroerende zaken die geen woning zijn.
In 2026 is de grens voor de startersvrijstelling € 555.000 (2025: € 525.000).
In 2027 gaat die grens verder omhoog naar € 615.000, zo blijkt uit de bijstellingsregeling indirecte belastingen.