Aanpassingen kabinetsplannen

De verwachtingen rondom Prinsjesdag waren niet al te hoog gespannen. Toch waren er weer enkele interessante voorstellen die van invloed zijn op jouw adviespraktijk. Bij onze opleidingspartners, zoals Impact en Lindenhaeghe, is een mooie samenvatting van die voorstellen terug te lezen. Omdat het kabinet tot Prinsjesdag weigerde in te gaan op de eis van een deel van de oppositie om voor links of voor rechts te kiezen, was de onzekerheid over de kabinetsplannen nog groter dan normaal het geval is.

Na Prinsjesdag besloot het kabinet echter toch in beweging te komen om een meerderheid te vinden. Dat leidde tot een Kamerbrief op 29 september 2026 met allerlei nieuwe plannen. Hoewel ook die plannen nog verre van zeker zijn, hebben ze wel grote impact op jouw adviespraktijk als ze doorgaan. Daarom vatten we die plannen hier samen.

Sociale zekerheid

De kabinetsplannen rondom sociale zekerheid zoals die in het coalitieakkoord stonden, waren al sterk afgezwakt. Nu worden die bezuinigingen helemaal geschrapt.

Het gaat onder meer om afschaffing van:

·        Het halveren van de maximale WW-duur;

·        Het verlagen van het maximumdagloon met 20%;

·        Het halveren van de maximale duur van de WGA-loongerelateerde uitkering;

·        Het afschaffen van de IVA;

·        Het versneld verhogen van de AOW-leeftijd.

Box 1

In box 1 van de inkomstenbelasting worden drie relevante wijzigingen voorgesteld ten opzichte van de plannen die op Prinsjesdag zijn gepresenteerd:

·        Het grensinkomen van de derde schijf (49,5%) zou bevroren worden op € 78.426.  Nu wordt voorgesteld die schijfgrens toch te verhogen tot € 80.578.

·        Hierdoor verloopt de afbouw van de algemene heffingskorting over een hoger bedrag. Dat betekent dat het afbouwpercentage lager wordt. Dat afbouwpercentage (boven de € 30.910) zou 6,638% worden.  Dit percentage zou volgens onze berekeningen moeten uitkomen op 6,350%.  De algemene heffingskorting wordt afgebouwd van maximaal € 3.154 bij een inkomen tot € 30.910 naar nihil bij een inkomen vanaf € 80.578.

·        De maximale arbeidskorting zou verhoogd worden met € 173 tot € 5.929. Maar die verhoging wordt verlaagd tot € 133. De maximale arbeidskorting komt dan op € 5.889.

Box 2

In box 2 worden twee wijzigingen voorgesteld.

Tarief

In box 2 gelden in 2026 twee tarieven:

·        24,5% tot een box 2-inkomen van € 68.843

·        31% over het meerdere.

Volgens de Prinsjesdagplannen zouden de tarieven gelijk blijven. Alleen de schijfgrens zou omhooggaan naar € 69.607.

In de Kamerbrief wordt het tarief in de tweede schijf tijdelijk (van 2027 tot en met 2030) verlaagd tot 29,2% (1,8%-punt minder). Daarmee wil het kabinet ondernemers met inkomen in box 2 stimuleren om vermogen dat in de bv zit, uit te keren. Het is dus een tijdelijke belastingverlaging, in de hoop dat er belastinginkomsten naar voren gehaald worden. Maar kamerleden achten dit onwaarschijnlijk. Tijdens de financiële beschouwingen op 1 oktober 2026 gaf de minister aan bereid te zijn om naar alternatieven te kijken, zoals het oprekken van de eerste schijf tot een hogere grens.

Excessief lenen
Op dit moment wordt een lening van de bv boven de € 500.000 gezien als ‘uitdeling’: het meerdere wordt belast als box 2-inkomen. Eigenwoningschulden vallen buiten dit bedrag.

In de Kamerbrief wordt voorgesteld om de grens voor excessief lenen in stappen te verlagen tot € 100.000:

JaarExcessief lenengrens
2026€ 500.000
2027€ 420.000
2028€ 340.000
2029€ 260.000
2030€ 180.000
2031€ 100.000

 Ook in deze verlaagde bedragen tellen eigenwoningschulden niet mee. Houd er rekening mee dat voor eigenwoningschulden bij de eigen bv vanaf 2023 als aanvullende eis geldt dat de bv een hypotheekrecht moet hebben op de woning om niet onder de excessief-lenen-regel te vallen.

Box 3

De discussies over box 3 blijven doorgaan. Er was geen concreet plan tijdens Prinsjesdag, omdat de coalitie er onderling al niet uitkwam. Nu zijn er wel concretere plannen gepresenteerd die worden uitgesmeerd over meerdere jaren. We kijken naar 2027, 2028/2029, 2030 en daarna. Maar al na één dag bleek een meerderheid van de Tweede Kamer daar helemaal niet achter te staan.

Box 3 in 2027- laatste jaar Overbruggingswet + tegenbewijsregeling

Op Prinsjesdag werden geen wijzigingen voorgesteld, behalve de indexering van de vermogensvrijstelling van € 59.357 in 2026 naar € 60.901 in 2027 per persoon.
 
Het voorstel van 29 september is heel anders:

·        De vrijstelling gaat omlaag naar € 30.846 per persoon.

·        Het fictieve rendement op overige bezittingen zou naar verwachting stijgen naar 6,37%. Daar komt 1,5 procentpunt bij, waardoor het uitkomt op 7,87%.

Iemand met € 100.000 aan beleggingen zou daarover volgens de (afwezigheid van) plannen in 2027 betalen aan box 3-belasting: 6,37% x (€ 100.000 - € 60.901) x 36% = € 896. Dat zou volgens de nieuwe plannen worden: 7,87% x (€ 100.000 - € 30.846) x 36% = € 1.959.

In 2027 kan echter ook nog gebruikgemaakt worden van de tegenbewijsregeling. Als het rendement nihil is, hoeft hij ook niets te betalen. De groep die meer dan € 896, maar minder dan € 1.959 rendement behaalt, zal dus profiteren van de tegenbewijsregeling. Overigens moet dan naar alle bezittingen gekeken worden en geldt er geen vrijstelling. Voor eigenaren van een tweede woning kan de belastingdruk zo hoog worden, dat ze meer dan nu geneigd zijn die te verkopen. ABN AMRO MeesPierson rekende uit wat het gaat kosten om een vakantiewoning aan te houden.

Box 3 in 2028 en 2029 – grotendeels vermogenswinstbelasting

De Wet werkelijk rendement moet dan toch in 2028 komen, zij het in gewijzigde vorm. In plaats van een vermogenswinstbelasting voor onroerend goed en een vermogensaanwasbelasting voor overig vermogen, wil men vermogenswinstbelasting ook over financiële instrumenten heffen. Financiële instrumenten zijn onder meer:

·        Aandelen

·        Obligaties

·        Opties

Deze financiële instrumenten (samen met onroerend goed) omvatten al bijna 90% van al het vermogen met winstontwikkeling. De vermogenswinstbelasting wil zeggen dat alleen als deze instrumenten verkocht worden tegen een hogere prijs dan de verkrijgingsprijs, die winst belast is. Het vergt dus veel administratie. Dividenden of couponbetalingen zullen in het jaar van ontvangst wel direct belast zijn.

De vermogenswinstvrijstelling zou in de Wet werkelijk rendement € 1.800 zijn. Dit zou echter verlaagd worden tot € 1.000 per jaar per belastingplichtige. Daardoor neemt die belasting dus voor iedereen toe met € 288 (€ 800 x 36%), ten opzichte van het eerdere plan. Maar alleen als het rendement hoger is dan € 1.800.

Los van de politieke bezwaren, hebben financiële instellingen (zoals banken) al aangegeven de benodigde gegevens voor een vermogenswinstbelasting niet al in 2028 aan te kunnen leveren. Er zijn ook nog te veel openstaande vragen over wat die ‘winst’ dan precies is.

Voorbeeld nog niet opgeloste problematiek vermogenswinstbelasting

Als iemand een order inlegt om 1.000 aandelen te kopen (bestens), dan kan het goed zijn dat die order niet in één transactie afgewikkeld wordt. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren als aan de laatkant (de verkoopkant) steeds slechts 100 aandelen tegelijk worden aangeboden, tegen verschillende laatprijzen.

Als degene die de 1.000 aandelen heeft gekocht een maand later 500 van die aandelen weer wil verkopen, kan het ook zijn dat die verkoop in veel verschillende transacties plaatsvindt en dus tegen meerdere prijzen. De resterende 500 aandelen houdt hij aan gedurende de rest van het jaar. 

Welke winst is er dan behaald?
De vraag is wat ‘de aankoopprijs’ van die 1.000 aandelen precies is geweest. Is het de gemiddelde aankoopprijs, of moet de aankoop van elk individueel aandeel vastgelegd worden? En geldt bij verkoop dan het verschil tussen de eerst aangekochte aandelen, of de gemiddelde prijs? En hoe zit dat met de verkoopprijzen? Mogen die (ook) gemiddeld worden Hierover is nog geen duidelijkheid. Dat betekent dat banken of beleggingsinstellingen hier ook nog geen software kunnen bouwen die alle transacties en winsten bijhoudt.

Box 3 vanaf 2030

Vanaf 2030 wordt de heffing in box 3 een volledige vermogenswinstbelasting. Daar vallen dan bijvoorbeeld ook cryptovaluta onder, alsmede andere vermogenscomponenten die niet onder ‘financiële instrumenten’ vallen. Let wel: als iemand indirect in crypto’s belegt, zoals via een ETF, dan is die ETF wel een financieel instrument, waarvoor vanaf 2028 al vermogenswinstbelasting geldt.

Voor jouw praktijk

Het staat nu al vast dat deze box 3-plannen niet doorgaan. Er is simpelweg geen meerderheid voor. De meest gehoorde klacht is dat kleine beleggers eerder belasting moeten gaan betalen. De minister gaf op 1 oktober 2026 aan op zeer korte termijn met een ander plan te zullen komen, maar dat lukt pas eind oktober, waardoor het onwaarschijnlijk wordt dat er in 2028 een vermogenswinstbelasting kan worden ingevoerd. Om het extra ingewikkeld te maken, nam de Tweede Kamer een dag later een motie aan die “een forse koerswijziging” in het Belastingplan 2027 eist, waardoor werken meer moet lonen. Daardoor staan ook alle andere fiscale wijzigingen weer ter discussie.

Het maakt jouw werk niet makkelijker. Je hoort voor jouw klant financiële plannen te maken over een periode van wel 30 jaar, waarin je ook nog allerlei life events meetelt. Dat is onmogelijk als de overheidsplannen zelf op dagbasis wijzigen. Voor jou betekent dit dat je je klant vaak zult moeten uitleggen wat de actuele wetgeving is, maar ook dat je niet kunt voorspellen of dit zo blijft. Juist door de onvoorspelbaarheid van overheidsbeleid is het belangrijk om met je klant regelmatig een onderhoudsgesprek te voeren.